Veelgestelde vragen (FAQ)

Veel gebruikte termen.

Niet alleen op de werf hanteren de bouwvakkers hun eigen vaktaal als ze het hebben over bijvoorbeeld het type van gewelven of het soort dak of de benaming van de verschillende materialen.
Ook achter het tekenbureau worden onderdelen op plan benaamd die je niet altijd eenvoudig kan voorstellen.

a) Enkele voorbeelden van dakconstructies

Spantenkap - plankenkap - gordingenkap
Een plankenkap zijn dakconstructies die heden ten dage het meest gebruikt worden.
Het zijn planken met een sectie van 32mm bij 180mm of 210mm op een tussenafstand van ongeveer 45cm.
De planken worden ook wel sporen of spantbenen genoemd. Twee aaneengekoppelde spantbenen vormen samen met de horizontale trekker een sporenspant.

Een gordingenkap is het dak dat voor de jaren ’60 van vorige eeuw werd gebruikt.

Hier worden horizontale balken gebruikt die dragen tussen twee topgevels of, tussenin ook op een spant. Per dakvlak zijn dit er één à twee, plus een nokgording.
Hier bovenop komen de kepers, die net zoals bij een plankenkap, op ongeveer 45cm tussenafstand worden gemonteerd.
Op vandaag worden gordingen nog toegepast als het dak wordt dichtgelegd met geprefabriceerde geïsoleerde dakelementen (geïsoleerde golfplaten of sandwichpanelen).
Gordingen en spanten kunnen in hout zijn, geprofileerd dun plaatstaal, stalen liggers, beton, …
Een spantenkap is een term die een beetje verwarrend is.
Enerzijds doet het je denken aan een kap met een spant erin (zoals een spant dat de gordingen van een gordingenkap draagt), maar ook aan de sporenspanten van een plankenkap.

b) Hoe zit een gebouw in elkaar?

Een gebouw zorgt, al naargelang zijn functie, voor een wind- en regendichte, geïsoleerde omgeving waarbinnen gewoond, gewerkt of gestapeld wordt. De constructie moet weerstaan aan de weersinvloeden en het gebruik binnenin het gebouw.
De buitenomtrek van het gebouw (dakbekleding, gevelafwerking, ramen en deuren..) wordt de gebouwschil genoemd. Alles daarbinnen is het beschermd volume.
Het gebouw wordt opgetrokken met materialen die samen een structuur vormen die moeten weerstaan aan die invloeden en het gebruik, maar die ook een eigen gewicht hebben en dus ook hun effect hebben op de structuur van het gebouw.
Om een gebouw te berekenen maakt de ingenieur een onderscheid tussen dragende en niet-dragende delen.
De dragende delen worden ook wel structurele delen genoemd. Deze zorgen ervoor dat de belastingen (zie c)) worden afgeleid naar de fundering waarop het gebouw tot stand komt.
Dit zijn de muren, vloerplaten, dakspanten, kolommen, balken en liggers, … .
De foto hieronder toont een woning tijdens de ruwbouw. De structurele (dragende) delen van de woning zijn de muren in snelbouw, kolommen en balken in beton, gewelven in beton, met een tussenliggende stalen ligger die de verdiepingsmuur draagt.

De niet-dragende delen bevinden zich in het gebouw (scheidingsmuren, muurafwerkingen, binnenramen en -deuren, balustrades, …) en in de gebouwschil (gevelafwerkingen, dakbedekking, buitenramen en -deuren).
De niet-dragende delen hangen aan of dragen op de dragende delen.

c) Wat zijn belastingen, krachten en spanningen?

De dragende delen van een gebouw worden berekend, rekening houdend met de belastingen die erop inwerken.
Zo zijn er onder meer volgende belastingen:

  • Eigen gewicht van de structurele elementen (muren, balken, liggers, kolommen, vloerplaten, funderingen, dakspanten, … .
  • Gewicht van de afwerkingen (vloeropbouw met chape en tegels, plankenvloer; scheidingsmuren, gevelsteen, glasramen, dakdichtingen, ….).
  • Windbelastingen, sneeuwbelastingen.
  • Temperatuursbelastingen.
  • Gebruiksbelastingen: dit zijn opgelegde belastingen, naargelang het gebruik van de ruimtes in een gebouw. Zo zal er voor een woonkamer, keuken, slaapkamer 200kg/m² ingerekend worden als gebruikt voor bad, kasten, de personen die er verblijven; voor een balken neemt men 400kg/m² omdat in een uitzonderlijke situatie dit balkon vol staat met mensen die naar de koers in de straat willen kijken. Een plat dak dat enkel wordt belopen voor onderhoud zal ook een kleinere gebruiksbelasting krijgen dan een dakterras; bij archieven en magazijnen kan men algauw tot 500kg/m² komen.
  • Accidentele belastingen: zo zal men bij constructies in parkeergarages rekening houden met de mogelijkheid dat er een auto tegenaan botst; bij transformatorlokalen houdt men rekening met een ontploffing.

Die belastingen brengen krachten teweeg in de dragende delen. Die krachten werken in op de constructieonderdelen zelf en de constructieonderdelen waarop ze dragen.
Zo zal een horizontale windbelasting op een gebouw afgeleid worden naar bijvoorbeeld een betonkolom. Deze veroorzaakt dan in de kolom een aantal krachten waaraan dit constructie-element moet weerstaan.
De meest gekende kracht is het doorbuigmoment. Een kolom die bovenaan wordt belast met een windkracht, zal aan de kop horizontaal gaan uitwijken (ombuigen).
Op hun buurt veroorzaken de krachten in een materiaal spanningen.
Stel je voor: je legt een houten balk op twee betonblokken. Je staat er midden op. Als de balk voldoende sterk is, dan zal ze hoogstens wat doorbuigen. In de stekteleer zeggen we dan dat de balk een nieuw evenwicht zoekt (actie-reactie). Onderaan zullen de vezels getrokken worden, bovenaan gedrukt. Er zijn dus trek- en drukspanningen.
Beiden hebben per materiaal een maximum. Men noemt dit de capaciteit van een materiaal of het vermogen om een bepaalde spanning op te nemen.
Soms maakt men gebruik van samengestelde materialen. Beton is daar een voorbeeld van. Beton kan druk opnemen, maar niet voldoende trek. Daarom zal men wapeningsstaal toevoegen. Het staal neemt dan de trek op, het beton de druk.

Kan ik zelf een stalen ligger voor mijn verbouwing uitrekenen?

Vaak worden bestaande ramen breder gemaakt, of worden twee ruimtes in een woning samengevoegd. De muren op bovenliggend verdiep of de vloerplaat boven deze ruimtes worden dan meestal opgevangen door middel van een stalen ligger.
Het antwoord hierop is simpel: ja! Op Google is er, mits enig zoekwerk om het kaf van het koren te scheiden, genoeg informatie beschikbaar om aan de slag te gaan.
Maar, er is een maar: de uitkomst hangt af van hoe je de informatie gebruikt.
Vooreerst: een stalen ligger wordt doorgaans op drie zaken gecontroleerd: sterkte, doorbuiging en knik. Voor een ‘gewone’ verbouwing zal de knik niet doorslaggevend zijn. Meestal rekent men na hoe sterk een stalen ligger moet zijn. Na het in gebruik nemen van de aangepaste woonvertrekken stelt men vast dat er scheuren in de muren ontstaan die door deze ligger zijn opgevangen. Dat wil dus zeggen dat de doorbuiging werd onderschat of helemaal niet gecontroleerd.
Feit is dat voor de meeste liggers voor de verbouwing van een woning de doorbuiging bepalend is.
Ten tweede moet je weten wat precies de ligger moet gaan dragen. Voor een recentere woning waarvan een bouwplan bestaat, of een rijwoning van 50 jaar oud, kun je goed achterhalen hoe de woning in elkaar steekt: welke type van tussenvloeren heb ik (houten roostering met plankenvloer, gewelven, massieve beton, …; dikte van de muren (massief, snelbouw; betonblokken); hoe draagt het dak (spant in het midden met horizontale gordingen met daarop kepers die dakpannen dragen, of sporenspantjes die dragen op de voorgevel en de achtergevel).
Bij vroegere verbouwingen is het al moeilijker om te achterhalen hoe de nieuwe ligger zal worden belast.
Tevens moet je dan nog rekening houden met de fundering. De fundering zorgt ervoor dat de belastingen worden gespreid over de ondergrond.
Bij het maken van een opening zorg je ervoor dat de lasten minder goed gespreid worden over de funderingen. Je krijgt een belastingconcentratie ter hoogte van de oplegpunten van de stalen ligger op het naastliggende metselwerk.
Een ingenieur kan je bijstaan om de juiste ligger te kiezen waarvan de doorbuiging beperkt is om scheuren te voorkomen. Tevens wordt het metselwerk en de spanning op de ondergrond gecontroleerd. Waar nodig worden extra verstevigingen voorzien.

Hoe wordt een fundering berekend?

Funderingen brengen de lasten van de bovenbouw over naar de draagkrachtige ondergrond. In sommige gevallen zullen de funderingen ook grondkerend of waterkerend zijn (bijvoorbeeld keldermuren).
De fundering veroorzaakt spanningen in de ondergrond.
De bodem wordt gecontroleerd op draagkracht (het vermogen om een bepaalde belasting te dragen) en op zettingen (het indrukken van de ondergrond vanwege de belasting).
De keuze van het funderingssysteem hangt af van enerzijds welke belastingen de bovenbouw teweegbrengt (bijvoorbeeld puntlasten door kolommen of lijnlasten door muren), en anderzijds de bodemgesteldheid.
Zo kan een kleigrond redelijk draagkrachtig zijn, doch kunnen de zettingsverschillen tussen de funderingen die weinig belast zijn, en de funderingen die meer belast zijn, te groot worden.
Een zandachtige grond net onder de funderingsaanzet is op zich zeer draagkrachtig, maar als daaronder een slappe kleilaag zit, dan is er gevaar voor te grote zettingen.
Kort samengevat: de vereiste van het funderingssysteem is dat het de lasten die erop optreden kan dragen, dat de zettingen beperkt blijven, en dat de zettingsverschillen onder verschillende delen van de bouw aanvaardbaar blijven.
De funderingen zijn te onderscheiden in twee grote groepen naargelang de diepte onder het grondoppervlakte (= maaiveld) waarop ze aanzetten:

  • Ondiepe funderingen: zijn de meest gekende strookfunderingen en plaatfunderingen. Wordt toegepast als de bovenste grondlagen draagkrachtig zijn en de grondopbouw onder het maaiveld die beïnvloed wordt door de lasten op de funderingen, geen te grote zettingen veroorzaakt.
  • Diepfunderingen: het betreft hier paalfunderingen en aanverwanten, waarbij de belasting wordt overbracht naar ofwel een draagkrachtige zandlaag, ofwel laat men de paal op kleef werken in een kleigrond.

Welke scheuren zijn gevaarlijk voor de stabiliteit?

Scheuren of barsten kunnen op verschillende plaatsen optreden: aan de onderzijde van verdiepingsvloeren, in muren, glasramen, houten liggers, doorheen betonbalken, … .
Het materiaal waarin de scheuren zich voordoen is dikwijls pleisterwerk, gipskarton, baksteen, beton, tegelwerk, glas, hout, …) Ze treden op in het element zelf, of op de naad tussen twee elementen (bijvoorbeeld overgang plafond – muurpleister). In het laatste geval spreken we dan eigenlijk over een spleet die ontstaat, of een opengaande voeg. Het betreffende deel barst op zich eigenlijk niet.
Gemakshalve spreken we over scheurvorming.
Niet alleen komen scheuren voor in oude gebouwen, ook in nieuwe gebouwen kunnen te optreden.
Als we denken aan scheuren in een gebouw, dan gaan onze gedachten dikwijls naar een verlies van stabiliteit van het gebouw, en gevaar voor verzakking of zelfs instorting.

Zo ver komt het vaak niet.
Een ingenieur kan bepalen of een scheur wijst op een gevaar of een probleem met de stabiliteit van een gebouw.
Er zijn verschillende oorzaken die leiden tot scheurvorming. Niet elke scheur betekent een gevaar voor de stabiliteit. Een scheur kan wel esthetisch onaanvaardbaar zijn.